Lief, ik kan niet om hem weenenWaar hij stil en eenzaam ligtIn het schoon doorzichtig steenenMasker van zijn aangezichtDat de dingen er om henenMet zijn bleeke toorts belicht.Lief, ik kan geen tranen vindenAls mijn hart hem elders peist,Waar zijn ziel met de bemindeSterren van den avond rijstEn ons, dagelijks verblinden,Hooger wegen wijst.Naar de heemlen van de lage zodenStijg' de gouden offervlam!Wie kan weenen naar de vroeg vergodenDie de dood ons halen kwam? -Tranen, lief, zijn enkel voor de doodenDie het leven nam.
Dichter
Gedichten van P.C. Boutens
10 teksten van P.C. Boutens, uit Vergeten liedjes. P.C. Boutens overleed in 1943, dus het werk is publiek domein.
Over P.C. Boutens
Pieter Cornelis Boutens (1870–1943), dichter en classicus. Zijn bundel Vergeten liedjes (1910) staat vol korte, muzikale gedichten.
Gebruikte uitgaven
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
- Vergeten liedjes (Bussum: C.A.J. van Dishoeck, 1910) (Wikisource)
Daar blijft een zegen dien de zielNog maar aan levens einder ziet:Daar zweeft een dauw die nimmer viel,In 't avondlijk verschiet:Vóordat de hemel guldt en roodtRijst uit het klare kimmediepHet zeil van die nabije bootDie nimmer binnenliep:O vreê waarvan de heete dorstAl koeler laaft dan aardschen bron,Ik weet, gij daalt niet in mijn borstDan met de laatste zon.
Nu kunt gij veilig slapen gaan,Nu al de heemlen openstaan:Ziel, wier verlangen elken donkren wandIn ster aan ster doorzichtig brandt,En in de schoonheid van dit tijdlijk landAl minnen moet uw eeuwig lot,Daar uw verrukking uitziet totDen troon van God.
Lach en tranen worden zeldenAan de heemlen onzer oogen,Als naast zuivre glansdoorweldeMaan de ster vergeet te schijnen,Als aan blauw doorzonde bogenGulden nevelen verdwijnen.Dieper lachen, zachter weenenRuischen door den klaren nacht;Oogen op hun stille wacht,Al de heemlen om ons henenLuisteren verrukt naar éene:Hoe ziel weent en lacht.
Wij die onze eenzaamheidDroegen als goden,Wij kunnen minnenEindeloos...Zie welk een huis onsVerlangen gebouwd heeft:Landen en zeeënPlaveien zijn vloeren,Zonlicht en maanschijnZoldren de kameren,Achter de sterrenWijken de tinnen —Wij kunnen minnenEindeloos...
Roode lippen, blanke ledenWijken uit hun eng omhelzenNaar de koele heldre grenzenWaar zich oog en oog ontmoetenIn der ziele kus.Als de diepe blauwe heemlenDuren over zee en landen,Duren over dood en leven, -Over liefdes dood en levenDuurt der zielen kus.Toch, ons zielen konden nimmerTot elkaêr in oogen reiken,Konden niet uw warme lippenMijne warme lippen kussen,Hadden niet mijn roode lippenUwen rooden mond gekust.
Zingen, lief, is zich belijdenIn de naakte heimlijkheidWaar de goden zelf in schrijdenDoor de godenlooze tijdenEnkel kenbaar den gewijdenAls hun hand den zegen breidt, —Zingen, lief, is zich belijdenIn zoo naakte heimlijkheid!
Dit is geluk:Dit is de vreugd die langer duurtDan de' eigen dag, dan overnacht;De vreugd die groeit in droomen onbedachtEn, vóor de zon den witten morgen vuurt,Om roereloozen slaper wachtIn al der aardedingen donkre pracht;Dit is de vreugd die zich niet meer bezint:O onverwonderd wonder, heilge machtVan 't dagelijks herboren kindDat vreugde om vreugde alleen bemintEn de aard tot in den hemel lacht;Dit is de vreugd die duren kan en duurt: —Dit is geluk.
Zienlijk wordt de wereld bleek,Welhaast zal het nachten —'k Weet, de woorden die ik spreek,Zijn mijn liefs gedachte:Godlijk is ons zuiver staanBoven 't lage duister —Godlijker is ondergaanIn vermeerden luister.
Nimmer zal de ziel vergetenSchoone wereld waar zij leerdeWat gemis niet had gewetenDat zij de eeuwen lang begeerde:O te lachten, o te weenen,Zich in lach en tranen geven,Tot te lachen of te weenenWordt der lichte ziel om 't even:O te weenen, o te lachenTot de neevlen zijn doorschenen,En haar weenen wordt als lachen,En haar lachen is als weenen:Land van lachen en van schreienTot de stille dood haar strekte,Waar haar smart en haar verblijenAl de zuivere echo's wekte,Nimmer zal de ziel vergetenSchoone wereld waar zij leerdeWat zij zelf niet had gewetenDat zij de eeuwen lang begeerde.
Af en toe nieuwe teksten
We voegen regelmatig gedichten en verzamelingen toe. Laat je e-mailadres achter, dan laten we het je weten.
Vrijblijvend. Eén korte mail per nieuwe verzameling, verder niets.